Column Flip: Uitzichtloos en ondraaglijk stinken
| Flip de Reede | Flip
Wie zijn bestaanszekerheid vaarwel zegt ten behoeve van anderen is een held. Ruftus – geboren Rufus, toen nog zonder de natte t – is dus een held. Een voorbeeld voor ons allen. Hoort u mij, collega Speetjens? Ruftus de redactiekat heeft het namelijk bijna opgegeven en gaat op afzienbare termijn een bijdrage leveren aan het milieu. Door dood te gaan bedoel ik dus, mocht dit detail u (korporaal b.d. D. Speetjens) nog niet helder voor de geest staan.
Want tussen alle jubelende en onbegrijpelijk positieve bijdragen op DeVeiligheidskundige.nl valt er door de betrokken close-reader zeker een traantje te laten. Vooral onder de lezers van Flip de Reede, gering in getal maar zeer gekoesterd (talrijkheid is geen aanbeveling meer in de moderne samenleving, een besef dat Ruftus moet hebben aangezet tot zijn ultieme afscheidsdaad).
Dus. Rufus maakt plaats, want reductie is het streven, groei onze vijand, ongeacht wat onze vorst-met-leesbril meldt in zijn troonrede. Ruftus de redactiekat, onze held, is bezig aan zijn laatste bijdrage aan de wereld, een die vooral bestaat uit uitzichtloos en ondraaglijk stinken. En we weten: uitzichtloos en ondraaglijk stinken rechtvaardigt een verlossend spuitje. Het is werkelijk niet te harden in het columnistenhok, net nu collega Speetjens er even tussenuit moest en ik me verheugde op de verlossing. Wat eigenlijk een periode van vrolijk feesten en uitbundig shag roken moet zijn bestaat uit mantelzorg voor de doodzieke Ruftus, die duidelijk geen behoefte heeft aan nadere adembeperkende maatregelen, behalve dan in de vorm van een finaal spuitje.
Waar stinkt het naar? Naar rotte eieren, net als de oude elektrische heftruck bij Scheurwater & co, al kwam dat door de eeuwige strijd met rotte accupakketten en cellen die de diepontlading reeds lang voorbij waren.
Zoek maar na: óverladen van loodzuur-accu’s geeft knalgas en diepontladen waterstofsulfide. Als de bedrijfskat ondraaglijk naar zwavel stinkt en hij laadt niet meer op dan moet hij een spuitje. Als de heftruck zo riekt helpt daar geen vetspuit of demiwater-infuus meer aan; dan mag het accupakket naar de ijzerwerf. En nee, er zit geen ijzer aan, dank u zeer.
In de huisdierenwereld doet men niet aan second opinions of ruggenspraak, er is geen levenseindekliniek, geen SCEN-arts en geen recente wilsverklaringen van het dier dat verondersteld wordt aan zijn, haar of hets einde te zijn. Het kan zo eenvoudig zijn: als je op leeftijd bent, in je eigen poep en kots ligt te kermen en de setting is niet het kampeerterrein van een meerdaags hardrockfestival dan is het aannemelijk dat je toe bent aan je laatste spuitje. Dan is het afgelopen met je bestaanszekerheid. Het afscheid mag een feestje zijn. Voor het fuifnummer zelf en voor de nabestaanden, die eindelijk een beetje ruimte krijgen. Mislukken kan het uiteindelijk niet.
Nú al zien we (de nieuwe mediaformulering is dat ‘we’ iets zien, ook al komt de gepresenteerde waarheid voort uit het verkokerde blikveld van de auteur) een toename in de biodiversiteit binnen Ruftus’ invloedssfeer, een actieradius die zich krachtig uitbreidt rond zijn doodsbed.
Ter informatie: dat is de doos van Speetjens’ kerstpakket, die onze topcolumnist subtiel in ons hok heeft geplaatst ter herinnering aan zijn eigen voortreffelijkheid. Intussen is de invloedssfeer van Ruftus als een supernova in de zwavelhel die de atmosfeer in het columnistenhok geworden is. Metallicgroene vliegen verleggen hun aandacht van Speetjens’ cervelaat naar Ruftus’ uitscheidingsproducten, die al door de doos heen aan het dringen zijn. Ruftus drukt zich krachtig non-verbaal uit, sinds de dag dat collega Speetjens afscheid nam voor alweer een lange vakantie.
Speetjens op zijn laatste werkdag, met zijn talent voor het hanteren van eufemismen: ‘Nou, het gist al flink, zo te ruiken’ en hij opent met een zwaai het venster boven zijn bureau. In de tuin valt een Vlaamse gaai van een tak. Kenners van Ruftus’ muilgeur hebben de laatste weken een progressieve transitie gerapporteerd, soms in bloemrijke beeldspraak. Van gewoon oude haring in een rioolkolk naar doerian afgeblust met trekzalf. En de bron is niet slechts de muil van het arme beest. Vreselijk. De bammetjes van Speetjens zijn er hemels bij, zelfs de exemplaren die hij vóór de zomervakantie in ons redactiekoelmeubel had achtergelaten. De eindredactrice had uit duurzaamheidsoverwegingen de stoppen (sorry: smeltveiligheden) van het columnistenhok uit de groepenkast gedraaid voor onze twee maanden onbetaalde vakantie. Speetjens’ bammetjes met cervelaat zijn inmiddels het stinken voorbij en ze zien eruit als visdeeg met kokosbrood. In betere dagen had Ruftus er nog zijn voordeel mee kunnen doen.
Dat de biologische risico’s gelijke tred houden met de geur durf ik niet te beweren. Op zich is de gedachte logisch: wat stinkt deugt niet, wat harder stinkt moet een hogere concentratie hebben en wat ondraaglijk stinkt kun je beter mijden. Zo zit het dus niet altijd, en met name niet bij H2S. H2S kan de reuk zó hevig prikkelen dat de reukervaring helemaal stopt. De geur is er wel en de risico’s ook, maar je merkt er niks meer van, afgezien van het sterven dan. Ik herinner me namelijk dat de neus een slechte gids is als het gaat om mogelijk schadelijke of giftige stoffen. Het staat iets anders in het cursusboek voor de veiligheidsconifeer, maar dat zoek ik even voor u na. Ahá:
‘Veel gevaarlijke stoffen zijn reukloos en kleurloos. Ga dus nooit af op je neus.’ (uit mijn studiebundel voor de moeilijk lerende veiligheidsprofessional, waarin ik me heel erg thuis voel). Mag ik direct twee kanttekeningen plaatsen bij deze inleidende stellingen?
1. Helaas zijn veel niet-zo-heel-gevaarlijke stoffen – zoals Franse kazen en de uitscheidingsproducten van Ruftus de redactiekater – bepaald niet reuk- en kleurloos, maar met het omkeren van stellingen moet men altijd oppassen. Geen zin in kaas is niet hetzelfde als zin in geen kaas. Toch is zin in geen kaas vele malen populairder, al wordt het zelden benoemd, omdat we ons er niet van bewust zijn tijdens het eieren eten. Ik kom hier ooit nog op terug, want het is een belangrijk filosofisch punt.
2. Waar de auteur van het magere lesboek veiligheidsconifeer de term ‘reukloos’ hanteert, bedoelt hij ‘geurloos’. Reuk is het zintuig, terwijl geur de feitelijke emissie van partikels of gassen is, deeltjes die de reukreceptoren stimuleren. N.b.: ‘in een kwade reuk staan’ heeft dan ook niets te maken met de verspreider van de geur en alles met de waarnemer. Bij zekere waarnemers loont het de moeite om uit hun reuk te blijven, ongeacht hoe men zelf meurt.
Tenslotte nog een fysiologisch feitje dat zelfs in mijn leerboeken onbenoemd blijft: onze reuk is zoals alle zintuigen (behalve pijn) onderhevig aan drift. Ze zijn gevoelig voor verschillen, maar hebben moeite met het waarnemen van een constante afwijking. Laat me even uitleggen:
Zet een groene zonnebril op en na een kwartier merk je er niks meer van. Drift. Al noemen waarnemingsfysiologen het ‘adaptatie’. Zet ‘m af en alles is een tijdlang oranje.
Geur: zit een kwartier naast de kisten van korporaal b.d. Speetjens en je ruikt er niets meer van. Ik had hier ook Ruftus’ muilgeur als voorbeeld kunnen aan kunnen halen, die hij zelf ook niet ruikt, al zit zijn neus pal boven de bron.
Ook voor smaak geldt iets dergelijks. Daarom doet men op wijnproeverijen grote moeite om de papillen tussentijds ruim te spoelen, en schoonmaakazijn of cervelaat went sneller dan men vermoedt.
De moraal van het verhaal: wantrouw alles. Onze eindredactrice doet dat ook. Ze is zojuist koediekoediekoedi komen doen met Ruftus en besloot na haar intieme samenzijn om vooral mij te wantrouwen. Nog even en ik ben controversieel verklaard. Ruftus mag geen spuitje en stinkt uitzichtloos en ondraaglijk voort. Ik ruik er niks meer van en koester mijn bestaanszekerheid.
(Toe maar met je control-F!)
resultaat CtrlF-journalistiek : 4 vermeldingen bestaanszekerheid
Want tussen alle jubelende en onbegrijpelijk positieve bijdragen op DeVeiligheidskundige.nl valt er door de betrokken close-reader zeker een traantje te laten. Vooral onder de lezers van Flip de Reede, gering in getal maar zeer gekoesterd (talrijkheid is geen aanbeveling meer in de moderne samenleving, een besef dat Ruftus moet hebben aangezet tot zijn ultieme afscheidsdaad).Dus. Rufus maakt plaats, want reductie is het streven, groei onze vijand, ongeacht wat onze vorst-met-leesbril meldt in zijn troonrede. Ruftus de redactiekat, onze held, is bezig aan zijn laatste bijdrage aan de wereld, een die vooral bestaat uit uitzichtloos en ondraaglijk stinken. En we weten: uitzichtloos en ondraaglijk stinken rechtvaardigt een verlossend spuitje. Het is werkelijk niet te harden in het columnistenhok, net nu collega Speetjens er even tussenuit moest en ik me verheugde op de verlossing. Wat eigenlijk een periode van vrolijk feesten en uitbundig shag roken moet zijn bestaat uit mantelzorg voor de doodzieke Ruftus, die duidelijk geen behoefte heeft aan nadere adembeperkende maatregelen, behalve dan in de vorm van een finaal spuitje.
Waar stinkt het naar? Naar rotte eieren, net als de oude elektrische heftruck bij Scheurwater & co, al kwam dat door de eeuwige strijd met rotte accupakketten en cellen die de diepontlading reeds lang voorbij waren.
Zoek maar na: óverladen van loodzuur-accu’s geeft knalgas en diepontladen waterstofsulfide. Als de bedrijfskat ondraaglijk naar zwavel stinkt en hij laadt niet meer op dan moet hij een spuitje. Als de heftruck zo riekt helpt daar geen vetspuit of demiwater-infuus meer aan; dan mag het accupakket naar de ijzerwerf. En nee, er zit geen ijzer aan, dank u zeer.Nú al zien we (de nieuwe mediaformulering is dat ‘we’ iets zien, ook al komt de gepresenteerde waarheid voort uit het verkokerde blikveld van de auteur) een toename in de biodiversiteit binnen Ruftus’ invloedssfeer, een actieradius die zich krachtig uitbreidt rond zijn doodsbed.
Ter informatie: dat is de doos van Speetjens’ kerstpakket, die onze topcolumnist subtiel in ons hok heeft geplaatst ter herinnering aan zijn eigen voortreffelijkheid. Intussen is de invloedssfeer van Ruftus als een supernova in de zwavelhel die de atmosfeer in het columnistenhok geworden is. Metallicgroene vliegen verleggen hun aandacht van Speetjens’ cervelaat naar Ruftus’ uitscheidingsproducten, die al door de doos heen aan het dringen zijn. Ruftus drukt zich krachtig non-verbaal uit, sinds de dag dat collega Speetjens afscheid nam voor alweer een lange vakantie.
Speetjens op zijn laatste werkdag, met zijn talent voor het hanteren van eufemismen: ‘Nou, het gist al flink, zo te ruiken’ en hij opent met een zwaai het venster boven zijn bureau. In de tuin valt een Vlaamse gaai van een tak. Kenners van Ruftus’ muilgeur hebben de laatste weken een progressieve transitie gerapporteerd, soms in bloemrijke beeldspraak. Van gewoon oude haring in een rioolkolk naar doerian afgeblust met trekzalf. En de bron is niet slechts de muil van het arme beest. Vreselijk. De bammetjes van Speetjens zijn er hemels bij, zelfs de exemplaren die hij vóór de zomervakantie in ons redactiekoelmeubel had achtergelaten. De eindredactrice had uit duurzaamheidsoverwegingen de stoppen (sorry: smeltveiligheden) van het columnistenhok uit de groepenkast gedraaid voor onze twee maanden onbetaalde vakantie. Speetjens’ bammetjes met cervelaat zijn inmiddels het stinken voorbij en ze zien eruit als visdeeg met kokosbrood. In betere dagen had Ruftus er nog zijn voordeel mee kunnen doen.
Dat de biologische risico’s gelijke tred houden met de geur durf ik niet te beweren. Op zich is de gedachte logisch: wat stinkt deugt niet, wat harder stinkt moet een hogere concentratie hebben en wat ondraaglijk stinkt kun je beter mijden. Zo zit het dus niet altijd, en met name niet bij H2S. H2S kan de reuk zó hevig prikkelen dat de reukervaring helemaal stopt. De geur is er wel en de risico’s ook, maar je merkt er niks meer van, afgezien van het sterven dan. Ik herinner me namelijk dat de neus een slechte gids is als het gaat om mogelijk schadelijke of giftige stoffen. Het staat iets anders in het cursusboek voor de veiligheidsconifeer, maar dat zoek ik even voor u na. Ahá: ‘Veel gevaarlijke stoffen zijn reukloos en kleurloos. Ga dus nooit af op je neus.’ (uit mijn studiebundel voor de moeilijk lerende veiligheidsprofessional, waarin ik me heel erg thuis voel). Mag ik direct twee kanttekeningen plaatsen bij deze inleidende stellingen?
1. Helaas zijn veel niet-zo-heel-gevaarlijke stoffen – zoals Franse kazen en de uitscheidingsproducten van Ruftus de redactiekater – bepaald niet reuk- en kleurloos, maar met het omkeren van stellingen moet men altijd oppassen. Geen zin in kaas is niet hetzelfde als zin in geen kaas. Toch is zin in geen kaas vele malen populairder, al wordt het zelden benoemd, omdat we ons er niet van bewust zijn tijdens het eieren eten. Ik kom hier ooit nog op terug, want het is een belangrijk filosofisch punt. 2. Waar de auteur van het magere lesboek veiligheidsconifeer de term ‘reukloos’ hanteert, bedoelt hij ‘geurloos’. Reuk is het zintuig, terwijl geur de feitelijke emissie van partikels of gassen is, deeltjes die de reukreceptoren stimuleren. N.b.: ‘in een kwade reuk staan’ heeft dan ook niets te maken met de verspreider van de geur en alles met de waarnemer. Bij zekere waarnemers loont het de moeite om uit hun reuk te blijven, ongeacht hoe men zelf meurt.
Tenslotte nog een fysiologisch feitje dat zelfs in mijn leerboeken onbenoemd blijft: onze reuk is zoals alle zintuigen (behalve pijn) onderhevig aan drift. Ze zijn gevoelig voor verschillen, maar hebben moeite met het waarnemen van een constante afwijking. Laat me even uitleggen:
Zet een groene zonnebril op en na een kwartier merk je er niks meer van. Drift. Al noemen waarnemingsfysiologen het ‘adaptatie’. Zet ‘m af en alles is een tijdlang oranje.
Geur: zit een kwartier naast de kisten van korporaal b.d. Speetjens en je ruikt er niets meer van. Ik had hier ook Ruftus’ muilgeur als voorbeeld kunnen aan kunnen halen, die hij zelf ook niet ruikt, al zit zijn neus pal boven de bron.
Ook voor smaak geldt iets dergelijks. Daarom doet men op wijnproeverijen grote moeite om de papillen tussentijds ruim te spoelen, en schoonmaakazijn of cervelaat went sneller dan men vermoedt.De moraal van het verhaal: wantrouw alles. Onze eindredactrice doet dat ook. Ze is zojuist koediekoediekoedi komen doen met Ruftus en besloot na haar intieme samenzijn om vooral mij te wantrouwen. Nog even en ik ben controversieel verklaard. Ruftus mag geen spuitje en stinkt uitzichtloos en ondraaglijk voort. Ik ruik er niks meer van en koester mijn bestaanszekerheid.
(Toe maar met je control-F!)
resultaat CtrlF-journalistiek : 4 vermeldingen bestaanszekerheid
Agenda
Vacatures
Process Safety Engineer (full-time)
HBO | Randstad, West
Adviseur veiligheid en gezondheid
HBO | Midden
Arbo & Preventie Coördinator
HBO, MBO | Oost
SHE Specialist | Safety, Health, Environmental | Food
HBO, MBO | West