SER: 'Meer gelijkheid voor vast en flex'
Hoe zorgen we voor meer gelijkheid tussen werkenden in vaste dienst, flexwerkers en zzp’ers? De vakbonden maakten er in december 2019 afspraken over met financiële instellingen. Een maand later presenteerden zowel de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) als de ‘commissie-Borstlap’ adviezen voor een eerlijke(r) arbeidsmarkt.
Werkcode: afspraken om de verschillen te verkleinen
Vijf instellingen in de financiële sector tekenden in december 2019 de ‘Werkcode’. Achmea, VGZ, Nationale Nederlanden, ING en a.s.r. maakten daarmee afspraken voor meer gelijkheid tussen werkenden met diverse soorten contracten. Van werknemerszijde is de Werkcode ondertekend door vakbonden FNV, CNV en De Unie.
In de Werkcode beloven de ondertekenaars te werken aan duurzame arbeidsrelaties, met perspectief voor alle werkenden binnen de organisatie, of ze nu vaste werknemers, mensen met een flexibel contract of zzp’ers zijn. In de code staan onder meer afspraken over gelijke beloningen en de verblijfsduur van uitzendkrachten, maar ook over toegang tot arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen.
De afspraken worden de komende drie jaar verwerkt in de cao’s van de vijf instellingen, die samen 40.000 vaste medewerkers en meer dan 10.000 externe medewerkers hebben.
Ingrijpende verbeteringen
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid kwam begin januari 2020 met het advies Het betere werk. De raad stelt daarin onder meer maatregelen voor die onderlinge concurrentie moet voorkomen tussen werkenden met verschillende contractvormen. Even later kwam er nóg een advies uit: In wat voor land willen wij werken? van de Commissie Regulering van Werk (‘commissie-Borstlap’, vernoemd naar commissievoorzitter Hans Borstlap). Ook hierin wordt de disbalans op de arbeidsmarkt belicht en worden ingrijpende verbeteringen voorgesteld.
Hoe kijken betrokkenen naar de verhouding tussen vast, flex en zzp? Zakaria Boufangacha (FNV), Elly Ploumen (Achmea) en SER-kroonlid Evert Verhulp geven hun visie.
Zakaria Boufangacha, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid FNV
‘Niet langer concurreren op de prijs van arbeid’
“De keuze voor flex is doorgeslagen. Dat heeft ertoe geleid dat onze arbeidsmarkt zo flexibel is en daarmee onzeker voor mensen. Het is zorgelijk dat er wordt geconcurreerd op de prijs van arbeid. Dat moet echt veranderen. De cao is destijds ontstaan juist om afspraken te maken over die prijs van arbeid, zodat er op dat punt geen concurrentie tussen bedrijven kon plaatsvinden.”
“Voor een deel van de mensen is flexibiliteit geen probleem, zij kunnen zich redden. Toch is de samenleving nog zo ingericht dat het hebben van een vast contract hoog wordt aangeschreven. Terecht, want dat biedt inkomenszekerheid. Bij flexibele arbeidsrelaties wordt niet geïnvesteerd in scholing, bij transities wordt er makkelijk afscheid genomen. Flex zou alleen moeten worden ingezet op piekmomenten en structureel werk zou niet bezet moeten worden met flexibele werknemers.”
“Collectiviteit en solidariteit zijn de afgelopen jaren naar de achtergrond verdwenen. Toch zijn die zaken van belang in een groeiende zzp-markt en met name voor de kwetsbare groepen. Het zou niet moeten uitmaken waar je wieg staat, gelijke kansen moeten er zijn voor iedereen. Als we de balans tussen flex en vast herstellen, is dat dus in het gemeenschappelijk belang. Hoe meer mensen meewerken aan de sociale zekerheid, hoe eerlijker het stelsel."
“De oplossingen, zowel nationaal als internationaal, liggen bij de overheid en de politieke keuzes die worden gemaakt. Politiek en overheden moten weer een gelijk speelveld creëren op het gebied van arbeidskosten. Bedrijven kunnen prima blijven concurreren op bijvoorbeeld innovatie, maar niet langer op de prijs van arbeid.”
Elly Ploumen, groepsdirecteur HR bij Achmea:
‘Werkzekerheid zit in relevante kennis en vaardigheden’
“Flexibiliteit moet niet betekenen dat je een blik werknemers opentrekt en morgen weer wegstuurt. Je moet er goede afspraken over maken. Neem bijvoorbeeld de eindejaarspiek bij onze zorgverzekeringen, door mensen die overstappen. Je weet dat je dan een aantal maanden extra mensen nodig hebt. Die mensen bied je een opleidingstraject aan dat is afgestemd op de flexibele schil, maar waarmee je wel in deze mensen investeert en ze iets meegeeft.”
“We moeten af van de scherpe scheiding tussen vast en flex. Als in een team vaste medewerkers en flexwerkers zitten, gaan we ze niet verschillend behandelen. De tegenstelling vast-flex is veel te zwart-wit. Er zitten heel veel aspecten aan. Dat komt niet altijd terug in de maatschappelijke discussie. Ik denk dan ook dat we breder moeten kijken dan bijvoorbeeld de cao-afspraken over percentages flex. Dat is niet de oplossing. Je lost het niet op met te zeggen dat het 80/20 moet zijn, of 70/30. Dat komt voort uit het ouderwetse idee dat vast per definitie beter is en dat je daar dus het meeste van moet hebben. Maar dan ga je voorbij aan de vraagstukken die er vandaag de dag liggen.”
“Wij hebben sowieso al het uitgangspunt: vast contract voor vast werk. Maar ook bij Achmea betekent vast niet levenslang. De organisatie verandert, het werk verandert, omstandigheden veranderen. We moeten dus zorgen voor aanpassingsvermogen bij de werknemers. Werkenden moeten hun vertrouwen in werkzekerheid niet halen uit hun contract, maar uit zichzelf. Uit het relevant houden van hun kennis en vaardigheden, en dat faciliteren wij als werkgever.”
Evert Verhulp, kroonlid Sociaal-Economische Raad en hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam
‘Flexwerkers die scholing missen vormen maatschappelijk probleem’
“Uit onderzoek weten we dat werknemers met een flexibel contract minder scholing krijgen, waardoor hun arbeidsproductiviteit en dus ook hun aantrekkelijkheid op de arbeidsmarkt afneemt. Er zijn ook sterke aanwijzingen dat flexibele werknemers werken onder minder gezonde omstandigheden. In het algemeen heb je als werkgever dus een goede rechtvaardiging nodig om mensen via een flexibel contract te laten werken.”
“Tijdelijke krachten die bijvoorbeeld via een uitzendbureau komen, hebben volgens de wet dezelfde arbeidsvoorwaarden als vaste werknemers. Dat wil niet zeggen dat ze feitelijk ook gelijk worden behandeld. De sfeer is soms: je bent hier maar drie maanden, dus je hoeft geen scholing te volgen. Voor die werkende zelf is het missen van scholing nadelig, maar ook voor de maatschappij als geheel is het problematisch als de arbeidsproductiviteit van een grote groep mensen op deze manier afneemt.”
“De oplossing kan misschien gevonden worden in het beprijzen van flexwerk. Daarmee zorgen we ervoor dat de arbeidsprijs geen concurrentiemiddel wordt. Bovendien kunnen we rechten voor werkenden koppelen aan die beprijzing, bijvoorbeeld rechten op het gebied van arbeidsongeschiktheid en pensioen.”
“De Werkcode is een goede stap vooruit: deze bedrijven beloven vaste en tijdelijke werknemers en zzp’ers gelijk te behandelen. Dat staat hen te prijzen. De commissie-Borstlap, waarvan ik onderdeel uitmaakte, gaat een stap verder door het zzp-schap zélf ter discussie te stellen. We moeten voorkomen dat mensen doen alsof ze ondernemer zijn, bijvoorbeeld om fiscale redenen. Een wiskundedocent op een reguliere middelbare school of een verpleger in een gewoon ziekenhuis kun je moeilijk een ondernemer noemen. Het wegnemen van die fiscale verschillen tussen werknemers en zzp’ers zorgt dus ook voor meer gelijkheid op de arbeidsmarkt.”
Bron: SER
Werkcode: afspraken om de verschillen te verkleinen
Vijf instellingen in de financiële sector tekenden in december 2019 de ‘Werkcode’. Achmea, VGZ, Nationale Nederlanden, ING en a.s.r. maakten daarmee afspraken voor meer gelijkheid tussen werkenden met diverse soorten contracten. Van werknemerszijde is de Werkcode ondertekend door vakbonden FNV, CNV en De Unie.
In de Werkcode beloven de ondertekenaars te werken aan duurzame arbeidsrelaties, met perspectief voor alle werkenden binnen de organisatie, of ze nu vaste werknemers, mensen met een flexibel contract of zzp’ers zijn. In de code staan onder meer afspraken over gelijke beloningen en de verblijfsduur van uitzendkrachten, maar ook over toegang tot arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen.
De afspraken worden de komende drie jaar verwerkt in de cao’s van de vijf instellingen, die samen 40.000 vaste medewerkers en meer dan 10.000 externe medewerkers hebben.
Ingrijpende verbeteringen
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid kwam begin januari 2020 met het advies Het betere werk. De raad stelt daarin onder meer maatregelen voor die onderlinge concurrentie moet voorkomen tussen werkenden met verschillende contractvormen. Even later kwam er nóg een advies uit: In wat voor land willen wij werken? van de Commissie Regulering van Werk (‘commissie-Borstlap’, vernoemd naar commissievoorzitter Hans Borstlap). Ook hierin wordt de disbalans op de arbeidsmarkt belicht en worden ingrijpende verbeteringen voorgesteld.
Hoe kijken betrokkenen naar de verhouding tussen vast, flex en zzp? Zakaria Boufangacha (FNV), Elly Ploumen (Achmea) en SER-kroonlid Evert Verhulp geven hun visie.
Zakaria Boufangacha, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid FNV
‘Niet langer concurreren op de prijs van arbeid’
“De keuze voor flex is doorgeslagen. Dat heeft ertoe geleid dat onze arbeidsmarkt zo flexibel is en daarmee onzeker voor mensen. Het is zorgelijk dat er wordt geconcurreerd op de prijs van arbeid. Dat moet echt veranderen. De cao is destijds ontstaan juist om afspraken te maken over die prijs van arbeid, zodat er op dat punt geen concurrentie tussen bedrijven kon plaatsvinden.”
“Voor een deel van de mensen is flexibiliteit geen probleem, zij kunnen zich redden. Toch is de samenleving nog zo ingericht dat het hebben van een vast contract hoog wordt aangeschreven. Terecht, want dat biedt inkomenszekerheid. Bij flexibele arbeidsrelaties wordt niet geïnvesteerd in scholing, bij transities wordt er makkelijk afscheid genomen. Flex zou alleen moeten worden ingezet op piekmomenten en structureel werk zou niet bezet moeten worden met flexibele werknemers.”
“Collectiviteit en solidariteit zijn de afgelopen jaren naar de achtergrond verdwenen. Toch zijn die zaken van belang in een groeiende zzp-markt en met name voor de kwetsbare groepen. Het zou niet moeten uitmaken waar je wieg staat, gelijke kansen moeten er zijn voor iedereen. Als we de balans tussen flex en vast herstellen, is dat dus in het gemeenschappelijk belang. Hoe meer mensen meewerken aan de sociale zekerheid, hoe eerlijker het stelsel."
“De oplossingen, zowel nationaal als internationaal, liggen bij de overheid en de politieke keuzes die worden gemaakt. Politiek en overheden moten weer een gelijk speelveld creëren op het gebied van arbeidskosten. Bedrijven kunnen prima blijven concurreren op bijvoorbeeld innovatie, maar niet langer op de prijs van arbeid.”
Elly Ploumen, groepsdirecteur HR bij Achmea:
‘Werkzekerheid zit in relevante kennis en vaardigheden’
“Flexibiliteit moet niet betekenen dat je een blik werknemers opentrekt en morgen weer wegstuurt. Je moet er goede afspraken over maken. Neem bijvoorbeeld de eindejaarspiek bij onze zorgverzekeringen, door mensen die overstappen. Je weet dat je dan een aantal maanden extra mensen nodig hebt. Die mensen bied je een opleidingstraject aan dat is afgestemd op de flexibele schil, maar waarmee je wel in deze mensen investeert en ze iets meegeeft.”
“We moeten af van de scherpe scheiding tussen vast en flex. Als in een team vaste medewerkers en flexwerkers zitten, gaan we ze niet verschillend behandelen. De tegenstelling vast-flex is veel te zwart-wit. Er zitten heel veel aspecten aan. Dat komt niet altijd terug in de maatschappelijke discussie. Ik denk dan ook dat we breder moeten kijken dan bijvoorbeeld de cao-afspraken over percentages flex. Dat is niet de oplossing. Je lost het niet op met te zeggen dat het 80/20 moet zijn, of 70/30. Dat komt voort uit het ouderwetse idee dat vast per definitie beter is en dat je daar dus het meeste van moet hebben. Maar dan ga je voorbij aan de vraagstukken die er vandaag de dag liggen.”
“Wij hebben sowieso al het uitgangspunt: vast contract voor vast werk. Maar ook bij Achmea betekent vast niet levenslang. De organisatie verandert, het werk verandert, omstandigheden veranderen. We moeten dus zorgen voor aanpassingsvermogen bij de werknemers. Werkenden moeten hun vertrouwen in werkzekerheid niet halen uit hun contract, maar uit zichzelf. Uit het relevant houden van hun kennis en vaardigheden, en dat faciliteren wij als werkgever.”
Evert Verhulp, kroonlid Sociaal-Economische Raad en hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam
‘Flexwerkers die scholing missen vormen maatschappelijk probleem’
“Uit onderzoek weten we dat werknemers met een flexibel contract minder scholing krijgen, waardoor hun arbeidsproductiviteit en dus ook hun aantrekkelijkheid op de arbeidsmarkt afneemt. Er zijn ook sterke aanwijzingen dat flexibele werknemers werken onder minder gezonde omstandigheden. In het algemeen heb je als werkgever dus een goede rechtvaardiging nodig om mensen via een flexibel contract te laten werken.”
“Tijdelijke krachten die bijvoorbeeld via een uitzendbureau komen, hebben volgens de wet dezelfde arbeidsvoorwaarden als vaste werknemers. Dat wil niet zeggen dat ze feitelijk ook gelijk worden behandeld. De sfeer is soms: je bent hier maar drie maanden, dus je hoeft geen scholing te volgen. Voor die werkende zelf is het missen van scholing nadelig, maar ook voor de maatschappij als geheel is het problematisch als de arbeidsproductiviteit van een grote groep mensen op deze manier afneemt.”
“De oplossing kan misschien gevonden worden in het beprijzen van flexwerk. Daarmee zorgen we ervoor dat de arbeidsprijs geen concurrentiemiddel wordt. Bovendien kunnen we rechten voor werkenden koppelen aan die beprijzing, bijvoorbeeld rechten op het gebied van arbeidsongeschiktheid en pensioen.”
“De Werkcode is een goede stap vooruit: deze bedrijven beloven vaste en tijdelijke werknemers en zzp’ers gelijk te behandelen. Dat staat hen te prijzen. De commissie-Borstlap, waarvan ik onderdeel uitmaakte, gaat een stap verder door het zzp-schap zélf ter discussie te stellen. We moeten voorkomen dat mensen doen alsof ze ondernemer zijn, bijvoorbeeld om fiscale redenen. Een wiskundedocent op een reguliere middelbare school of een verpleger in een gewoon ziekenhuis kun je moeilijk een ondernemer noemen. Het wegnemen van die fiscale verschillen tussen werknemers en zzp’ers zorgt dus ook voor meer gelijkheid op de arbeidsmarkt.”
Bron: SER
Datum: 11 februari 2020
Auteur: DVK Redactie
© De Veiligheidskundige
Agenda
Vacatures
HSE Officer
HBO | Zuid
Process Safety Engineer (full-time)
HBO | Randstad, West
KAM Coordinator
HBO | Zuid
QHSE Adviseur
HBO | Randstad, West